Feed on
Posts
Comments

Hieronder enkele actuele kern-alinea’s – dus niet de integrale tekst – uit een artikel van de rechtsfilosofe DORIEN PESSERS dat verscheen in de NRC van 23-09-2006.’ Cursief in origineel, vet toegevoegd
– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –
Het evenwicht tussen de rechtsorde en de economische orde is verschoven. Wat publiek is, blijft een zaak van de politiek. Maar bij de vraag hoe de publieke belangen moeten worden behartigd, wordt te veel vertrouwd op de markt. Zo stimuleert de overheid het wantrouwen van de burger.

Elke samenleving kent grosso modo twee grote morele registers, beide gebaseerd op het wederkerigheidsbeginsel, maar in uiteenlopende varianten. Reciprociteit is de moraal van de duurzame bindingen en de solidariteit – zoals in de sfeer van de liefde en sociale verwantschap – waarin over en weer onbepaalde verplichtingen worden nagekomen in het vertrouwen dat te zijner tijd verevend zal worden. Vertrouwen is hier het sleutelbegrip. Mutualiteit daarentegen is de moraal van de kortstondige bindingen van de markt, waarin tussen vreemden naar tijd en inhoud contractueel strikt bepaalde prestaties worden geleverd. Hier is wantrouwen het sleutelbegrip.

Kern van de rechtsstaatsidee is dat in beginsel vijandige partijen van elkaar worden gescheiden en in één beweging door met elkaar worden verbonden binnen een fiduciaire rechtsgemeenschap.
Zoals reciprociteit het ideaaltypische model is van rechtsstaat en publiek domein, zo is mutualiteit het ideaaltypische model van de markt.
Waar reciprociteit berust op de idee dat sociale vrede alleen mogelijk is indien er eerst gescheiden en in één beweging door meteen verbonden wordt, daar berust mutualiteit op de idee dat sociale vrede en voorspoed bevorderd worden door ontsnapping uit de knellende bindingen van de reciprociteit. Een sociale gemeenschap kan namelijk ook zeer verplichtend zijn en met sociale sancties mensen op hun plaats houden en hun vrijheid beknotten. De markt kan een uitweg zijn uit feodale, totalitaire systemen en is dat ook gebleken. De opkomst van een kapitalistische markteconomie en later de opkomst van de industriële revolutie bevorderden de ontbinding van feodale reciprociteitssystemen.

vertrouwen versus wantrouwen
Als sociale organisatieprincipes staan beide morele registers echter lijnrecht tegenover elkaar: tegenover binding staat concurrentie; tegenover vertrouwen staat wantrouwen; tegenover het sociaal contract staat het private contract; tegenover de goede trouw staat de kwade trouw van de vrijblijvende en loze beloften van de reclame; tegenover de binding door middel van het gemeenschappelijke, publieke domein staat de uitsluiting door middel van het private domein; tegenover publieke belangen staan private belangen; tegenover rationele sturing door middel van politieke besluitvorming staat de irrationele sturing van onbewuste en gemanipuleerde wensen en behoeften.

De spanning tussen beide morele registers moest wel tot problemen leiden en die kwamen dan ook in de loop van de negentiende eeuw tot volle uitbarsting. De vrije markt bleek niet alleen een onzichtbare, sturende hand te verbergen, maar ook een onzichtbare, vertrappende voet. De vrije markt bleek niet iedereen in te sluiten, maar juiste sociale onge¬lijkheid en desintegratie te veroorzaken. De sociale gevolgen van het mutualiteitssysteem werden bestreden door een reactivering van het Sociaal Contract en de daarin opgesloten reciprociteitsmoraal. Er ontstonden nieuwe collectiviteiten in de vorm van onderlinge waarborgfondsen en later collectieve verzekeringen.
Het publiek domein werd in de loop van de eerste helft van de twintigste eeuw uitgebouwd met onderwijs, gezondheidszorg en sociale volkshuisvesting. Dit alles om sociale binding, uitwisseling en participatie te bevorderen en daardoor een zichzelf versterkende spiraal van sociaal vertrouwen en reciprociteit op gang te brengen. Met andere woorden: de rechtsstaat probeerde de samenleving terug te veroveren op de markt.

fatale verschuiving van normatief naar pragmatisch- economisch
Vanaf het midden van de jaren zeventig zien we echter een gestage verschuiving in het evenwicht tussen rechtsorde en economische orde optreden, die uiteindelijk zal resulteren in de huidige triomf van de economische orde.
Ik noem enkele markeringspunten, zoals het loslaten van het systeem van vaste wisselkoersen (Bretton Woodssysteem) dat aan nationale staten de controle op het kapitaalverkeer ontnam; de toenemende internationalisering en zelfs mondialisering van de markt die na 1989 een vrije vlucht nam; de crisis in de sociale zekerheid die leidde tot een herstructurering – volgens sommigen tot een afbraak – van de verzorgingstaat; een gedeeltelijke overdracht van de soevereiniteit van de nationale staten naar de Europese Unie; en de fatale verschuiving binnen het openbaar bestuur van het primaat van het normatieve bestuursrecht naar de pragmatische en op economische modellen georiënteerde bestuurskunde.

Fataal, omdat deze overgang – in de woorden van de Engelse politicoloog Marquand – een Kulturkampf tot gevolg heeft gehad waarin de onvervreemdbare, sacrale goederen van de fiduciaire rechtsgemeenschap verkwanseld dreigen te worden. Niet de op binding gerichte reciprociteitsmoraal is het oriëntatieprincipe in deze Kulturkampf, maar de op concurrentie gerichte mutualiteitsmoraal.

de privatisering van het publieke domein
Sommige publieke belangen werden geprivatiseerd, andere werden aan een bureaucratisch-economische rationaliteit onderworpen, bij voorkeur in de vorm van zelfstandige bestuursorganen die op afstand van de politiek werden gezet.
De sociale zekerheid kwam in handen van ondernemende uitkeringsinstanties, het hoger onderwijs in handen van ondernemende universiteiten, de cultuur in handen van ondernemende musea, de gezondheidszorg in handen van particuliere zorgverzekeraars en ondernemende ziekenhuizen.
Prestatiecontracten vervingen wetgeving, horizontaal bestuur door middel van publiekprivate samenwerking verving verticaal bestuur, soft law verving hard law.

De belangen van de burger werden gereduceerd tot de deelbelangen van de consument.

Inmiddels is bekend tot welke cultuurveranderingen dit economisch dirigisme heeft geleid. De soevereiniteit in eigen kring, zo belangrijk voor de professionele moraal van docenten, artsen, hulpverleners en andere werknemers in de non-profitsector, dreigt te worden uitgehold. En zoals in elke Kulturkampf speelt ook hierbij de verovering van de taal een strategische rol. Productie en rendement zijn – alle retoriek over kwaliteit ten spijt – de exclusieve criteria geworden; burgers worden daarom klanten en consumenten; diensten worden producten; prestaties moeten topprestaties worden, bij voorkeur verricht binnen centres of excellence, en openbaar gemaakt in een op concurrentie gericht ranking system.

imago & impression management i.p.v. inhoud
De in het kader van zijn persoonlijk ontwikkelingsplan roulerende chef wordt een manager en inmiddels zelfs een regisseur van resultaatgerichte processen. De normatieve architectuur van de bureaucratie was – hoe vaak geschonden misschien ook – in ieder geval kritisch aanspreekbaar op waarheid, op rationaliteit en op reële sociale behoeften en betrekkingen.
Maar in de toneelwereld van schijn en impression management wordt de bureaucratie een imaginair universum binnengeleid.
Kennis van feiten, vakkennis en professionaliteit zijn niet meer belangrijk, maar slechts de competentie om competent te lijken.
De enorme groei van de communicatieafdelingen binnen de publieke sector is symbolisch voor deze ontwikkeling. Marketing, presentatie en public relations worden belangrijker dan de diensten die geleverd moeten worden.
De vorm wordt belangrijker dan de norm. Misleiding van het publiek door aan de reclame ontleende beeldtaal belangrijker dan betrouwbare dienstverlening. De grenzen tussen het ambt en de persoon van de ondernemende ambtenaar verva¬gen, zo ook die tussen staat en markt, tussen publieke en private belangen, tussen rationele sturing en irrationele sturing.

Alleen de onderste laag van de professionele werkvloer kent nog de reële condities, waarin burgers leven: de wijkagenten, de onderwijzers, de artsen, de hulpverleners. Maar inmiddels liggen daar demotivatie, cynisme en opportunisme op de loer.

teloorgang van de goede trouw: je moet scoren!
Met het gezonde verstand heeft het openbaar bestuur ook zijn goede trouw verloren. Ik noem slechts de fraudes in de bouwwereld, de fraudes in onderwijsinstellingen, de zelfverrijking door managers, de corruptie in het notariaat, de veelbesproken schade die door wezenloze managers in het onderwijs is aangericht, de falende hulpverlening in de jeugdzorg, de banalisering van de publieke omroep die daarmee aan countervailing power verliest, en de enorme prijsstijgingen als gevolg van privatisering of verzelfstandiging.
In de jaren negentig komt ook het contractenrecht zelf onder druk te staan van een economische rationaliteit.
De rechtseconomie formuleert als uitgangspunt dat het recht optimale allocatie van goederen en diensten moet bevorderen.
Daartoe kan het plegen van wanprestatie economisch profijtelijker zijn dan het nakomen van de overeenkomst. De vrijheid van wanprestatie moet volgens rechtseconomen door het recht worden gehonoreerd indien de wanprestant een schadevergoeding aanbiedt.
In dit leerstuk van de efficiënte contractbreuk bestaat geen principieel verschil meer tussen goede trouw en kwade trouw indien de kwade trouw maar wordt gecompenseerd met een schadevergoeding. Het gegeven woord geldt slechts zolang trouw aan het gegeven woord economisch profijtelijker is.

de ontmanteling van rechtsstaat & democratie
De overgang van een systeem van rechtsstatelijk georganiseerd vertrouwen naar een systeem van economisch georganiseerd wantrouwen werd gecomplementeerd door de instelling van zelfstandige, toezichthoudende marktautoriteiten. Deze economische magistratuur is een directe bedreiging voor de democratie en de normatieve architectuur van de samenleving.
Zo hebben de marktautoriteiten geen democratische, maar een technocratische legitimatie. Anders dan de staat, hebben ze maar een beperkte bemiddelende functie, omdat ze geen algemene belangen behartigen, maar slechts de deelbelangen van marktpartijen en consumenten.
Door hun nauwe verwevenheid met de lobbynetwerken van de markt neigen zij ertoe corporatistische belangen te behartigen. Ze zijn – in strijd met de machtenscheiding – toezichthouder, regelgever en handhaver in één.

Zijn ze efficiënte uitvoerders gebleken? Nee, de bureaucratische rompslomp van de Nederlandse en Europese marktautoriteiten blijkt die van de verguisde departementen verre te overtreffen.
Zo dreigt het economisch dirigisme met zijn welhaast religieuze, want onfeilbaar geachte dogmatiek, de normatieve architectuur van de samenleving te ondermijnen, de goede trouw en het waarheidsgebod te schenden, en het op tegenspraak ingerichte democratische debat over de goede samenleving te smoren.

Met dit alles dreigt ook de fiduciaire rechtsgemeenschap verloren te gaan, die ooit zo moeizaam op de markt werd bevochten.
Met gezond verstand heeft openbaar bestuur ook goede trouw verloren Achter vrije markt schuilt niet alleen sturende hand, maar ook vertrappende voet. “

Comments are closed.