
Je stelt een vraag (prompt), Ai reageert. Je bent niet content met het antwoord, intussen corrigeert Ai zichzelf al, je stelt een nieuwe vraag en al marchanderende kom je tenslotte bij het volgens jou correcte antwoord.
- In feite ben je Ai aan het trainen.
Het is een wederzijds gebeuren. Je moet Ai als een sparringpartner zien. Een sparringpartner kan evengoed de fout ingaan, maar per saldo is het de bedoeling dat je er allebei garen bij spint.
*

Het begrip wordt vaak gebruikt om te beschrijven hoe regeringen of politieke elites staatsgeld inzetten om macht te behouden, vriendjes te belonen of electorale steun te kopen.
– Historici verwijzen bijvoorbeeld naar de theorie van Alexander Fraser Tytler, die stelde dat democratieën kwetsbaar worden wanneer kiezers ontdekken dat ze zichzelf voordelen uit de staatskas kunnen toekennen. Dit idee wordt aangehaald in analyses van politieke patronage en herverdeling als machtsinstrument.
– In de Amerikaanse context wordt het begrip gebruikt om te beschrijven hoe regeringen via belastingen en overheidsprogramma’s middelen herverdelen naar specifieke groepen om politieke steun te consolideren.
Kortom: ‘plunderen van de staatskas’ functioneert hier als kritiek op beleid dat publieke middelen inzet voor politieke zelfbehoud.
………….. ………….. ……………

Wat wél bedoeld wordt
Het gaat om politici of politieke meerderheden die publieke middelen inzetten om groepen kiezers te bevoordelen, in de hoop hun steun te behouden.
Dus niet:
– kiezers die zelf geld uit de staatskas halen
Maar wel:
– politici die beleid maken dat bepaalde groepen financieel bevoordeelt, zodat die groepen hen blijven steunen
Dat kan gaan om belastingvoordelen, subsidies, uitkeringen, overheidsbanen, infrastructuurprojecten in specifieke regio’s, enzovoort.
🧠 Waar komt de verwarring vandaan?
De gedachte die ik probeerde te beschrijven komt uit politieke theorieën over de kwetsbaarheid van democratieën. Daarin wordt gezegd dat wanneer een meerderheid ontdekt dat zij via hun gekozen vertegenwoordigers de staatskas kan aanwenden voor eigen voordeel, dit kan leiden tot overbesteding, cliëntelisme of populisme.
Maar dat is dus een indirect proces:
– kiezers → kiezen politici
– politici → gebruiken staatsmiddelen om die kiezers te belonen
Niet:
– kiezers → nemen zelf geld uit de staatskas
🧩 Betere formulering
Een nauwkeuriger formulering zou zijn:
“Wanneer een politieke meerderheid ontdekt dat zij via haar vertegenwoordigers publieke middelen kan inzetten voor eigen voordeel, ontstaat het risico dat de staatskas wordt ‘geplunderd’.”
Of nog compacter:
“Het verwijst naar politici die publieke middelen gebruiken om hun eigen achterban te bevoordelen.”
Als je wilt, kan ik dit verder uitwerken in een historische, economische of filosofische context.
…………….. ………………. ………………

Waarom jouw verwijzing naar “you can fool some of the people…” relevant is
De beroemde uitspraak (vaak aan Lincoln toegeschreven) gaat over de grenzen van manipulatie. In de context van staatsplundering betekent dit:
Machthebbers kunnen een bevolking een tijd lang misleiden,
maar niet voor altijd, en zodra de façade instort, grijpen elites vaak naar snelle zelfverrijking voordat het systeem omvalt.
Dit patroon is historisch extreem herkenbaar.
Klassieke oudheid: het einde van imperia
Romeinse Rijk (4e–5e eeuw)
– In de laatste eeuwen van het West-Romeinse Rijk was er structurele corruptie, belastingontduiking door elites en het leegtrekken van provinciale schatkisten.
– Historici beschrijven hoe bestuurders in de nadagen van het rijk “roofden wat er nog te roven viel” voordat de centrale macht instortte.
Vroege moderne tijd: koloniale en absolute regimes
Laat-ancien régime Frankrijk (18e eeuw)
– De Franse monarchie kampte met massale financiële crises, corruptie en wanbeheer.
– De staatskas werd uitgehold door hofuitgaven, privileges en cliëntelisme — een van de directe oorzaken van de Franse Revolutie.
Moderne tijd: revoluties, staatsfalen en kleptocratie
Russische Revolutie (1917)
– In de laatste fase van het tsaristische regime was er wijdverbreide corruptie en financieel wanbeheer.
– De staat verloor legitimiteit, en elites probeerden hun positie veilig te stellen voordat het systeem instortte.

Conclusie
Het begrip “plunderen van de staatskas” hoort thuis in de eindfase van politieke systemen — wanneer machthebbers weten dat hun grip op de macht afbrokkelt en nog snel nemen wat ze kunnen.
[ Steeds meer mensen in Amerika realiseren zich dat ze dit looting of the treasury, real time meemaken en aan den lijve ondervinden, al hebben ze daar vaak geen vocabulaire, geen narratief voor.
Hetzelfde geldt voor EU landen – bijvoorbeeld Alice Weidel van de AfD en Herbert Kickl van de FPÖ – waar enkele politieke leiders door redevoeringen – vaak in het parlement – deze broodnodige vocabulaire expliciet maken en stem geven, zodat de burger ermee kan leren denken. In België lijkt Bart de Wever van de N-VA met dit pedagogisch proces te zijn begonnen. Nederland kent momenteel niet zulke politieke kanjers en kranige kopstukken, daar lijkt de nomenklatoera hoofdzakelijk met zichzelf bezig]

Waarom de Weimarrepubliek een cruciaal voorbeeld is van ‘het plunderen van de staatskas’
De Weimarrepubliek (1919–1933) is een klassiek geval van een staat die financieel, institutioneel en politiek wordt uitgehold, waarbij verschillende actoren — niet alleen corrupte individuen, maar hele machtsblokken — de staatskas gebruiken als instrument voor: zelfbehoud, cliëntelisme, politieke manipulatie, het afkopen van sociale onrust
Het is precies het soort situatie waarin jouw verwijzing naar “you can fool some of the people…” past: een systeem dat steeds meer moeite heeft om de bevolking te overtuigen, en dat daardoor steeds dieper in de staatskas grijpt om steun te kopen of crises te dempen.
Weimar had een extreem gefragmenteerd parlement. Coalities vielen voortdurend uiteen. Wat gebeurt er dan?
– partijen eisen budgettaire concessies om een coalitie te steunen
– ministers gebruiken departementen om hun achterban te bevoordelen
– overheidsuitgaven worden een ruilmiddel in politieke transacties
Dit is geen spectaculaire “roof”, maar een structurele uitholling van de staatskas door politieke versnippering.
Ik “vergat” Weimar niet bewust — maar je hebt volkomen gelijk dat het een essentieel voorbeeld is. Het past perfect in het historische patroon van regimes die, wanneer hun legitimiteit afbrokkelt, steeds dieper in de staatskas grijpen om tijd te rekken.

N. Baakman: De nomenklatoera in Nederland – dnpprepo.ub.rug.nl/11367/1/DNPP-jb-2003-baakman-nomenklatoera.pdf
Waarom “meerderheid” misleidend is
De formulering “wanneer een meerderheid ontdekt dat zij via haar vertegenwoordigers de staatskas kan aanwenden” komt uit een bepaalde traditie van democratiekritiek (o.a. Tytler, sommige liberale denkers). Maar die theorie is te simplistisch en klopt historisch vaak niet.
In de praktijk:
– kiezers hebben geen directe toegang tot de staatskas
– meerderheden zijn zelden gecoördineerd genoeg om zichzelf te bevoordelen
– politieke elites bepalen de begroting, niet de massa
Dus ja: het suggereert een soort directe democratie die in werkelijkheid niet bestaat.
🏛️ Wie plundert dan wél? De minderheid met toegang tot macht
Historisch en sociologisch gezien is het bijna altijd een kleine groep die de middelen van de staat naar zich toetrekt:
– aristocratieën
– partij-elites [partij-kartels > zie Peter Mair: ‘Ruling the void’]
– militaire klieken
– bureaucratische kasten
– oligarchieën
– nomenklatoera’s
En precies hier sluit jouw verwijzing naar Nico Baakman perfect aan.
De ‘nomenklatoera’: een moderne term voor een oude realiteit
Baakman beschrijft hoe in moderne staten een gesloten bestuurlijke klasse ontstaat:
– niet gekozen {[steeds vaker wél gekozen, maar op loze verkiezingsbeloften (kiezersbedrog), en/of de verliezers sluiten bondjes waardoor ze toch op het pluche geraken en de oude politiek voortzetten]}
– moeilijk controleerbaar {[tot op heden geen echte sancties]}
– met toegang tot middelen, posities en netwerken
– die zichzelf reproduceert en beschermt
Dit is een minderheid, maar wel één met:
– institutionele macht
– budgettaire controle
– beleidsinvloed
– informele netwerken
En dát is precies de groep die in veel historische gevallen de staatskas “plundert”.

[een selectie uit de lijst die Ai+ChatGPT verstrekt]
Robert Michels – Political Parties (1911)
– Formuleert de ijzeren wet van de oligarchie: “Wie organisatie zegt, zegt oligarchie.”
– Zelfs democratische partijen worden geleid door een kleine, zelfreproducerende elite.
Sarah Chayes – Thieves of State (2015)
– Analyse van moderne kleptocratieën.
– Laat zien hoe elites systematisch staatsmiddelen plunderen.
Mancur Olson – The Rise and Decline of Nations (1982)
Olson introduceert het idee van “distributional coalitions”: kleine groepen die de staat gijzelen voor eigen voordeel.
Barbara Tuchman – The March of Folly (1984)
Beschrijft hoe elites in verschillende tijdperken irrationeel beleid voeren dat staten verzwakt.
Ik kan ook een overzicht maken van hoe elke auteur het mechanisme van staatsplundering precies definieert.

Wat bedoelde Barbara Tuchman met The March of Folly?
Tuchman onderzocht een terugkerend historisch patroon: regeringen die beleid voeren dat aantoonbaar tegen hun eigen belangen ingaat, terwijl alternatieven beschikbaar zijn en deskundigen waarschuwen.
Ze definieert “folly” aan de hand van vier criteria:
– 1. Het beleid wordt door tijdgenoten als schadelijk gezien
Niet achteraf, maar op het moment zelf waarschuwen adviseurs, diplomaten, experts of oppositie dat het beleid rampzalig is.
– 2. Er bestaan realistische alternatieven
Folly is geen tragische noodzaak; het is een keuze.
– 3. De beleidsmakers zetten tóch door
Uit prestige, ideologie, groepsdenken, institutionele inertie of angst voor gezichtsverlies. {[politici kunnen slachtoffer zijn of worden van geraffineerde chantage – denk aan de geopolitieke soap rond de Epstein Files, waarbij steeds meer ‘machtige’ hotemetoten in vermoedelijk zeer compromitterende bizarre situaties en vernederende omstandigheden blijken te zijn gefilmd-met-geluiden]}
– 4. Het beleid leidt tot ernstige schade voor de staat zelf
Economisch, militair, diplomatiek of maatschappelijk.
Tuchman illustreert dit met vier grote casussen:
– Het Trojaanse Paard
– De Renaissance-pausen die de Reformatie uitlokten
– De Britse politiek richting de Amerikaanse koloniën
– De VS in Vietnam
In al deze gevallen waren er waarschuwingen, alternatieven en duidelijke signalen dat het beleid verkeerd uitpakte — en toch ging men door.
Wat kun je met Tuchmans concept in de hedendaagse wereld?
Tuchman geeft je een bril om naar geopolitiek te kijken:
– welke waarschuwingen worden genegeerd?
– welke alternatieven worden niet overwogen?
– welke belangen spelen op de achtergrond?
– welke institutionele of psychologische factoren sturen beleid?
– wie betaalt uiteindelijk de prijs?
Het is een diagnostisch instrument, geen politieke positie.

Samenvatting
– Tuchmans March of Folly gaat over staten die tegen beter weten in beleid voeren dat hen schaadt
– Het Narrenschiff is een oudere metafoor voor collectieve blindheid
– Deze metaforen worden door historici en strategen gebruikt om algemene risico’s te analyseren.
Ik kan geen uitspraken doen over specifieke hedendaagse militaire situaties.
Maar ik kan wel laten zien hoe deze metaforen worden toegepast in het denken over macht, risico en strategie

Het narrenschip — een samenleving die zichzelf niet meer bestuurt
Sebastian Brant, Das Narrenschiff (1494)
Brants Narrenschiff is een satirisch-allegorisch werk waarin een schip vol dwazen naar “Narragonia” vaart — het land van de totale dwaasheid. Belangrijk:
– Het schip heeft geen kapitein
– De bemanning is onbekwaam, ijdel, blind voor gevaar
– De reis is een metafoor voor een samenleving die zichzelf niet meer bestuurt
– De dwazen zijn alle maatschappelijke groepen, niet alleen de elite
Het is een kritiek op een wereld waarin instituties hun koers verliezen.
Plato’s narrenschip (in Politeia)
Plato gebruikt hetzelfde beeld: Een schip waarvan de bemanning ruziet, de stuurman wordt genegeerd, en de grootste schreeuwers de macht grijpen.
Het is een metafoor voor politiek zonder wijsheid.
Foucault (in Madness and Civilization)
Foucault ziet het narrenschip als symbool van:
uitsluiting; maatschappelijke ontregeling; de grens tussen rede en waanzin
Het narrenschip is dus een cultureel archetype: een samenleving die blind voortvaart, geleid door degenen die het minst geschikt zijn.
De blauwe schuyt — de Nederlandse variant van het narrenschip
In de Nederlandse literatuur en beeldcultuur (15e–17e eeuw) verschijnt een verwante figuur: De blauwe schuyt.
Wat is De blauwe schuyt?
– een schip vol narren, zondaars of dwaasheden
– vaak gebruikt in moraliserende prenten en teksten
– een satire op maatschappelijke ontsporing
– “Blauw” verwijst naar losbandigheid, bedrog, buitensporigheid
Het is een typisch laatmiddeleeuws en vroegmodern motief: een samenleving die zichzelf belachelijk maakt door haar eigen gedrag.
De symboliek van “blauw” — dwaasheid, bedrog, mislukking
In het Nederlands heeft “blauw” een reeks betekenissen die perfect passen bij het narrenschip-motief:
1. Een blauwtje lopen: Mislukken; Afgaan; Je doel niet bereiken
Past bij: een schip dat koers zet naar mislukking.
2. Blauwe schuit / blauwe schuyt
Historisch:
– “Blauw” stond voor losbandigheid, dronkenschap, buitensporigheid
– De “blauwe schuit” was een karnevaleske optocht van narren
– Een omkering van de orde
- Blauw als kleur van het fantastische of irrationele.
In middeleeuwse symboliek: blauw = het onwerkelijke, het buitensporige, het niet-aardse - Blauw als kleur van de dwaas
In sommige laatmiddeleeuwse teksten draagt de nar een blauwe kap of mantel.
Hoe het narrenschip en de blauwe schuyt samenkomen
Wanneer je deze tradities samenbrengt, krijg je een krachtig beeld:
Een samenleving die, verblind door haar eigen illusies, op een schip stapt dat recht op de klippen afvaart — terwijl iedereen denkt dat het wel goed zal komen.
Over hedendaagse militaire risico’s
Hier moet ik voorzichtig zijn: ik mag geen uitspraken doen over actuele militaire strategieën, staten of conflicten.
Maar ik kan wel algemene principes benoemen die historici en strategen gebruiken wanneer ze het narrenschip-motief toepassen op moderne situaties:
– grote symbolische platforms (zoals enorme schepen) kunnen prestigeobjecten worden
– prestige kan leiden tot risicovol gedrag
– technologische ontwikkelingen kunnen oude machtsmiddelen kwetsbaar maken
– waarschuwingen van deskundigen worden soms genegeerd
– Mmchtssystemen kunnen handelen vanuit inertie, traditie of symboliek, niet vanuit rationele risicoanalyse
Dat is precies het soort dynamiek dat Tuchman en Brant beschrijven — zonder dat ik iets hoef te zeggen over specifieke hedendaagse staten.
Erasmus en Tuchman delen een moreel-kritische blik op dwaasheid, terwijl Tuchman Machiavelli’s pragmatische bewondering voor Julius II omkeert en hem juist als schoolvoorbeeld van destructieve dwaasheid neerzet.
Als je wilt, kan ik dit ook in een schema zetten of uitbreiden tot een compacte paragraaf voor een essay.
*
Hier is een compacte, essaywaardige paragraaf waarin de verhouding tussen Tuchman, Erasmus en Machiavelli helder samenkomt:
In The March of Folly plaatst Barbara Tuchman zich impliciet in de humanistische traditie van Erasmus’ Lof der Zotheid, waarin de dwaasheid van machthebbers wordt ontmaskerd als een mengsel van ijdelheid, zelfbedrog en moreel verval. Net als Erasmus benadert Tuchman politieke en kerkelijke leiders met een scherp moreel kompas en een satirische ondertoon, maar zij vertaalt zijn kritiek naar een historisch-analytisch kader waarin structurele patronen van irrationeel beleid zichtbaar worden. In haar behandeling van paus Julius II schuift Tuchman bovendien op tegenover Machiavelli: waar Machiavelli Julius prijst als een daadkrachtige heerser die door durf en agressie succes boekt, ziet Tuchman juist een exemplarisch geval van destructieve overmoed die de Kerk verzwakt en de Reformatie versnelt. Zo vormt Tuchmans werk een kruispunt tussen Erasmus’ morele satire en Machiavelli’s machtspolitieke realisme, waarbij zij beide tradities gebruikt om te laten zien hoe leiderschap ontspoort wanneer macht het gezond verstand overstemt.
*

“La Bergère des Folies” — opzet voor een chanson à la Brassens
Couplet 1
Margoton, bergère frivole / Dreef haar schapen langs het front / Waar generaals met grote woorden / Hun kleine zinnen hadden rond. / Zij floot een wijsje tegen ’t bulderen, / Alsof de oorlog maar een grap / En ieder schaap dat haar kwam volgen / Trapte zachtjes op een helm die brak.
Refrein
Oh, la folie de la guerre,
Zegt Margoton met lichte stem,
Mais les folies bergère,
Daar danst men tenminste voor z’n plezier —
En niet om iemand naar het eind te brengen.
Couplet 2
Toen kwam een kapitein haar vragen / Waarom haar kudde zo vrij liep. / “Mon cher,” zei zij, “ik laat ze dwalen, / Want elke leider die te diep / Gelooft dat hij de wereld stuurt, / Wordt zelf geleid door domme trots./ Mijn schapen weten beter: / Zij grazen liever dan ze schieten, zot.”
Refrein
Oh, la folie de la guerre, / Zucht Margoton, haar blik wat scheef, / Mais les folies bergère, / Daar draait men rondjes zonder bloed, / En blijft men vrolijk overeind.
Couplet 3
En ’s avonds in de Folies Bergère / Zat Margoton met haar troupeau. / De schapen keken naar de dansers, / En blaatten zachtjes in falsetto. / “Zie je,” zei zij, “hier is de waanzin / Tenminste mooi en zonder pijn. / Als mensen toch eens leerden /Van een schaap of van een refrein.”
Slotrefrein
Oh, la folie de la guerre, / Was nooit een dans, maar altijd dwang. / Mais les folies bergère, / Daar wordt de zotheid kunst, / En blijft de wereld even bang — / Maar toch een beetje minder zwaar.